Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
18 februari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het arrest, maar alleen met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, en tot vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad heeft de eerste drie cassatiemiddelen beoordeeld en verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het vierde cassatiemiddel klaagt over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, vanwege het te laat aanleveren van stukken door het hof.
De Hoge Raad acht dit cassatiemiddel gegrond en vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf. De straf wordt verminderd van vijf jaren en acht maanden naar vijf jaren en vijf maanden gevangenisstraf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Het arrest is gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Van Strien en Röttgering, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 18 februari 2025.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vijf jaar en acht maanden naar vijf jaar en vijf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.