Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
18 februari 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd verdacht van het leiden van en deelnemen aan de organisatie Ghuraba’a Mohassan, die terroristische misdrijven pleegde in Syrië. De rechtbank sprak de verdachte vrij, maar het gerechtshof verklaarde hem schuldig aan deelname aan een terroristische organisatie met een terroristisch oogmerk.
Het hof baseerde zijn oordeel op bewijsmateriaal waaronder verklaringen van de verdachte, een video van een bomaanslag op een tapijtfabriek waar het Syrische leger was gelegerd, en een artikel in The Guardian. De aanslag had tot doel het leger terug te dringen, wat ook lukte. De organisatie had een gestructureerd karakter en werkte samen met andere strijdgroepen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het oogmerk van de organisatie was om de overheid wederrechtelijk te dwingen, zoals bedoeld in art. 83a Sr. De verdediging voerde aan dat het verzet tegen het regime van Assad legitiem was en dat het dwingen niet wederrechtelijk kon zijn, maar de Hoge Raad verwierp deze uitleg als te beperkt.
De Hoge Raad bevestigt dat het begrip 'wederrechtelijk' in art. 83a Sr aansluit bij het Kaderbesluit terrorismebestrijding en dat rechtmatig protest niet onder het terroristisch oogmerk valt. Ook andere klachten van de verdediging faalden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling voor deelname aan terroristische organisatie met terroristisch oogmerk.