Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
11 maart 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een Poolse vreemdeling die in Nederland verbleef terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard op grond van artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Het hof had geoordeeld dat het gedrag van verdachte op 9 november 2021, waarbij verboden wapens en verdovende middelen in zijn auto werden aangetroffen en hij een valse naam had opgegeven, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde voor een fundamenteel belang van de samenleving in de zin van artikel 27 van Pro Richtlijn 2004/38/EG.
De Hoge Raad stelt vast dat het hof onvoldoende precieze vaststellingen heeft gedaan over de gedragingen van de verdachte op die datum en de relatie daarvan tot de eerdere gedragingen die aanleiding waren voor de ongewenstverklaring van 18 oktober 2019. Hierdoor is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de tenlastelegging en strafoplegging betreft en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.
De Hoge Raad bevestigt dat artikel 27 van Pro de Verblijfsrichtlijn een rechtstreeks werkende bepaling is die vereist dat maatregelen tot ongewenstverklaring uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van de betrokkene en dat dit gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging moet vormen. Strafrechtelijke veroordelingen op zich zijn geen reden, maar kunnen wel in aanmerking worden genomen indien het individuele geval dit rechtvaardigt. Het hof had dit onderzoek onvoldoende zorgvuldig verricht.
Het beroep van de verdachte wordt voor het overige verworpen. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken op 11 maart 2025.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling van actuele bedreiging bij ongewenstverklaring.