Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Slotsom
4.Beslissing
17 april 2018.
Hoge Raad
De verdachte, een derdelander met een verblijfsstatus in België als familielid van een EU-burger, werd in Nederland vervolgd wegens verblijf terwijl hij ongewenst was verklaard. Het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat de eerdere ongewenstverklaring rechtskracht behield omdat de verdachte op het moment van aanhouding een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormde vanwege de vondst van verdovende middelen.
De verdediging stelde dat de Belgische verblijfsstatus de Nederlandse ongewenstverklaring zou overrulen, hetgeen het Hof verwierp. De Hoge Raad herhaalt de verplichting van de rechter om te onderzoeken of een ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende Unierechtelijke bepalingen, in het bijzonder art. 27 van Pro Richtlijn 2004/38/EG.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het gedrag van de verdachte een actuele en voldoende ernstige bedreiging vormde en vernietigt het arrest. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling met aandacht voor de Unierechtelijke aspecten en motivering.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige toetsing aan het Unierecht bij strafrechtelijke vervolging van vreemdelingen met EU-verblijfsrechten en de noodzaak van een gemotiveerd oordeel over de geldigheid van de ongewenstverklaring.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de rechtsgeldigheid van de ongewenstverklaring in het licht van EU-recht.