Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
18 maart 2025.
Hoge Raad
De verdachte heeft tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld. Echter zijn er geen cassatiemiddelen door de advocaat van de verdachte ingediend binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad toetst de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat de wettelijke vereiste tot het indienen van cassatiemiddelen niet is nageleefd. Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan het beroep daarom niet in behandeling worden genomen.
De Hoge Raad verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee dat de procedure in cassatie niet kan worden voortgezet. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.