ECLI:NL:HR:2025:327

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 maart 2025
Publicatiedatum
24 februari 2025
Zaaknummer
21/03655
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 lid 2 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep wegens ontbreken cassatiemiddelen

De verdachte heeft tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag beroep in cassatie ingesteld. Echter zijn er geen cassatiemiddelen door de advocaat van de verdachte ingediend binnen de daarvoor geldende wettelijke termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Hoge Raad toetst de ontvankelijkheid van het beroep en constateert dat de wettelijke vereiste tot het indienen van cassatiemiddelen niet is nageleefd. Op grond van artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering kan het beroep daarom niet in behandeling worden genomen.

De Hoge Raad verklaart het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk en bevestigt daarmee dat de procedure in cassatie niet kan worden voortgezet. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van cassatiemiddelen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/03655
Datum18 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 augustus 2021, nummer 22-000180-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Cassatiemiddelen zijn namens deze niet voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 maart 2025.