Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
18 maart 2025.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de verdachte behandeld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een strafzaak over phishing-fraude, computervredebreuk en oplichting. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zestien maanden.
De klachten over de inhoudelijke beoordeling van het hof werden niet gegrond verklaard en leidden niet tot vernietiging van het arrest. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak van de Hoge Raad meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep plaatsvond.
Dit leidde tot vernietiging van het arrest uitsluitend wat betreft de strafduur en vermindering van de gevangenisstraf tot vijftien maanden en twee weken. Het overige cassatieberoep werd verworpen. De zaak betreft onder meer de uitleg van het begrip “overnemen, aftappen of opnemen van gegevens” en de vraag of de verdachte de bank heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van zestien maanden naar vijftien maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.