Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
18 maart 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond een 40-jarige verdachte terecht voor verkrachting van een aan zijn waakzaamheid toevertrouwd 17-jarig meisje in de woning van zijn moeder. De verdachte werd in eerste aanleg vrijgesproken. Het hof had de bewezenverklaring bevestigd en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen tegen de bewezenverklaring niet tot cassatie leiden. Wel stelde de Hoge Raad vast dat het hof ten onrechte een bedrag van € 68,32 aan reiskosten voor het bijwonen van de terechtzitting in hoger beroep als directe schade had toegewezen en hiervoor een schadevergoedingsmaatregel had opgelegd. Deze kosten zijn proceskosten en dienen apart te worden beoordeeld op grond van artikel 532 Sv Pro.
Daarnaast wees de Hoge Raad erop dat de benadeelde partij in hoger beroep met een advocaat procedeerde, waardoor reiskosten voor de benadeelde zelf niet voor vergoeding in aanmerking komen. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest waarin deze kosten waren toegewezen en wees het gevorderde bedrag af, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt vrijspraak en wijst gevorderde reiskosten als schadevergoeding af.