Belanghebbende kreeg op 2 juli 2021 een naheffingsaanslag BPM opgelegd. Een beroepsmatig rechtsbijstandverlener maakte bezwaar, waarna de Inspecteur de aanslag bij uitspraak op bezwaar op 19 april 2022 verminderde en een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toekende op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Belanghebbende stelde beroep in tegen de naheffingsaanslag, maar klaagde niet over de hoogte van de vergoeding. Zowel Rechtbank als Hof verklaarden het beroep ongegrond en handhaafden de aanslagvermindering zonder de vergoeding te herzien.
In cassatie klaagt belanghebbende dat de vergoeding te laag is vastgesteld, verwijzend naar een recent arrest van de Hoge Raad. De Hoge Raad oordeelt dat de vergoeding onherroepelijk vaststaat omdat dit punt niet aan de orde was in de lagere procedures. Het Hof was daarom niet bevoegd ambtshalve dit te onderzoeken en heeft terecht geen oordeel gegeven.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.