ECLI:NL:HR:2025:352

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
28 februari 2025
Zaaknummer
22/04002
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 184a lid 1 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafrechtelijke veroordeling ondanks overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor het opzettelijk schenden van een gedragsaanwijzing, zoals bedoeld in artikel 184a lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde klachten in over het bewijs van opzet, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden.

De advocaat-generaal had geconcludeerd tot vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de duur van de opgelegde gevangenisstraf, waarbij hij pleitte voor vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, maar het beroep verder verworpen. De Hoge Raad volgde dit niet en verwierp het beroep in zijn geheel.

Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, was overschreden omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de relatief korte gevangenisstraf van zestien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, vond de Hoge Raad geen aanleiding om aan deze overschrijding een ander rechtsgevolg te verbinden.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren Buruma en Trotman, waarna het arrest ter openbare terechtzitting werd uitgesproken op 11 maart 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde gevangenisstraf van zestien weken blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04002
Datum11 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2022, nummer 22-003438-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zestien weken, waarvan acht weken voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 maart 2025.