ECLI:NL:HR:2025:372

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2025
Publicatiedatum
10 maart 2025
Zaaknummer
22/04441
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet ROArt. 287 SrArt. 361.3 SvArt. 6:97 BWArt. 6 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij poging doodslag

In deze zaak stond de verdachte terecht voor poging tot doodslag door het steken met een scherp voorwerp in de buik van het slachtoffer. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld en een gevangenisstraf opgelegd. Zowel de verdachte als de benadeelde partij stelden cassatiemiddelen voor, waarbij onder meer werd verzocht om aanvullende deskundigen te horen en werd geklaagd over de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in een deel van haar vordering.

De Hoge Raad heeft de klachten van beide partijen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest, zodat deze klachten worden verworpen zonder nadere motivering. Wel constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, waardoor een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf op zijn plaats is.

De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en vermindert deze van veertig maanden naar achtendertig maanden. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Hiermee wordt de straf gematigd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van veertig naar achtendertig maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten worden verworpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04441
Datum11 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 21 november 2022, nummer 21-001831-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.T. Pel, advocaat in Hattem, een cassatiemiddel voorgesteld.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft C.E. Jeekel, advocaat in Zwolle, een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de verdachte en de benadeelde partij zijn voorgesteld
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van veertig maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 38 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 maart 2025.