ECLI:NL:HR:2025:431

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 maart 2025
Publicatiedatum
20 maart 2025
Zaaknummer
22/03929
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 184a lid 1 SrArt. 6:106 lid b BWArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak opzettelijk handelen in strijd met gedragsaanwijzing

In deze strafzaak heeft de Hoge Raad op 25 maart 2025 het cassatieberoep van de verdachte verworpen. Het hof 's-Hertogenbosch had de verdachte eerder veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, zoals bedoeld in artikel 184a lid 1 Sr. De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor geestelijke schade, die het hof als een aantasting van de persoon 'op andere wijze' kwalificeerde op grond van artikel 6:106 lid Pro b BW.

De verdediging voerde aan dat er geen causaal verband bestond tussen het bewezenverklaarde feit en de geleden schade, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit verweer niet tot vernietiging van het hofarrest kon leiden. De Hoge Raad motiveert dit niet nader, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid.

Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, conform artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Gezien de opgelegde gevangenisstraf van 36 dagen achtte de Hoge Raad dit echter niet aanleiding om een ander rechtsgevolg te verbinden.

De Hoge Raad sprak het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en bevestigde daarmee het oordeel van het hof zonder verdere motivering.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor opzettelijk handelen in strijd met gedragsaanwijzing met een gevangenisstraf van 36 dagen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/03929
Datum25 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 oktober 2022, nummer 20-001324-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat R. el Bellaj bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 36 dagen volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 maart 2025.