Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
25 maart 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak heeft de Hoge Raad op 25 maart 2025 het cassatieberoep van de verdachte verworpen. Het hof 's-Hertogenbosch had de verdachte eerder veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, zoals bedoeld in artikel 184a lid 1 Sr. De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor geestelijke schade, die het hof als een aantasting van de persoon 'op andere wijze' kwalificeerde op grond van artikel 6:106 lid Pro b BW.
De verdediging voerde aan dat er geen causaal verband bestond tussen het bewezenverklaarde feit en de geleden schade, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit verweer niet tot vernietiging van het hofarrest kon leiden. De Hoge Raad motiveert dit niet nader, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, conform artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Gezien de opgelegde gevangenisstraf van 36 dagen achtte de Hoge Raad dit echter niet aanleiding om een ander rechtsgevolg te verbinden.
De Hoge Raad sprak het arrest uit in aanwezigheid van de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en bevestigde daarmee het oordeel van het hof zonder verdere motivering.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor opzettelijk handelen in strijd met gedragsaanwijzing met een gevangenisstraf van 36 dagen.