ECLI:NL:HR:2025:433

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 maart 2025
Publicatiedatum
20 maart 2025
Zaaknummer
22/04883
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 300 SrArt. 184a SrArt. 342 lid 2 SvArt. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 Wet RO
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in mishandelingszaak met bewijsbeoordeling WhatsApp-berichten

De Hoge Raad heeft op 25 maart 2025 het cassatieberoep van verdachte verworpen tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 december 2022 in een zaak betreffende mishandeling en het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing.

De klachten van de verdachte over de bewijsvoering, waaronder het bewijsminimum en de beoordeling van WhatsApp-berichten tussen de aangeefster en verdachte, zijn door de Hoge Raad beoordeeld maar niet gegrond verklaard. De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is overschreden aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde taakstraf van zestig uren, waarvan twintig voorwaardelijk, ziet de Hoge Raad hiervan af om verdere rechtsgevolgen te verbinden.

Het beroep wordt derhalve verworpen en de uitspraak van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opgelegde taakstraf blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04883
Datum25 maart 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 23 december 2022, nummer 23-000639-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P.L.G. Rens, advocaat in ‘s–Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde taakstraf van zestig uren, waarvan twintig uren voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
25 maart 2025.