Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
25 maart 2025.
Hoge Raad
In deze zaak stond een verkrachtingszaak centraal waarbij verdachte in eerste aanleg werd vrijgesproken. Het gerechtshof Den Haag verklaarde verdachte vervolgens mede bewezen wat hij die avond/nacht zou hebben gezegd tegen de aangeefster, hoewel het hof een kennelijke misslag maakte door deze woorden in de bewezenverklaring te laten staan. De Hoge Raad leest dit echter verbeterd.
De verdediging voerde aan dat de verklaring van een getuige een ontoelaatbare gissing bevatte, maar de Hoge Raad oordeelt dat de getuige slechts een gelaatsuitdrukking beschreef, wat geen gissing is. Daarnaast is het bewijsminimum van art. 342.2 Sv (unus testis) volgens het hof voldoende onderbouwd en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
De verdediging wees op discrepanties in de verklaringen van de aangeefster, maar deze betroffen geen directe inconsistenties met de gedragingen en waren plausibel binnen het scenario van schuld. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het gerechtshof.