Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
1 april 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor voortgezette handelingen van poging tot uitlokking van moord en voorbereidingshandelingen van uitlokking tot moord. De feiten betroffen het in 2020 in ’s-Gravenhage via internet zoeken naar personen die tegen betaling zijn ex-vrouw konden doden, in het kader van een echtscheiding.
Het gerechtshof Den Haag had de verdachte eerder veroordeeld. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De procureur-generaal kreeg de gelegenheid een advies uit te brengen.
De Hoge Raad oordeelde dat het cassatieberoep duidelijk niet kon slagen en maakte gebruik van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 1 april 2025.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte is niet-ontvankelijk verklaard.