Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
1 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen en meermalen gepleegde valsheid in geschrift. De verdachte stelde klachten in tegen het bewijs en de herkomst van het witgewassen geld, alsmede tegen de conclusies van de verbalisanten.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad ambtshalve dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden naar 21 maanden.
De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf, vermindert deze straf en verwerpt het beroep voor het overige. De uitspraak werd gedaan door de vice-president Borgers als voorzitter en de raadsheren Kooijmans en Dalebout op 1 april 2025.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 22 naar 21 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het beroep wordt verder verworpen.