ECLI:NL:HR:2025:496

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2025
Publicatiedatum
28 maart 2025
Zaaknummer
23/01522
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 197a.1 SrArt. 250ter Sr (oud)Art. 250a Sr (oud)Art. 231 SrArt. 327a Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens verjaring en proces-verbaal tekortkoming bij medeplegen mensensmokkel en vervalsing paspoort

De Hoge Raad heeft op 1 april 2025 uitspraak gedaan in een cassatiezaak tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 november 2004. De zaak betrof medeplegen van mensensmokkel, mensenhandel en vervalsing van een paspoort. De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld, maar het hof had volstaan met een verkort proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, zonder een uitgewerkt proces-verbaal op te maken.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van een uitgewerkt proces-verbaal in strijd is met artikel 327a lid 3 Sv, waardoor het cassatiemiddel hierover slaagt. Daarnaast stelde de Hoge Raad vast dat het recht tot vervolging van het feit van vervalsing van het paspoort (feit 4) is verjaard op grond van de absolute verjaringstermijn van tweemaal twaalf jaren zoals bedoeld in artikel 70.1.3 jo. 72.2 Sr. Hierdoor verklaarde de Hoge Raad het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor dit feit.

Als gevolg van deze bevindingen vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en het vonnis van de rechtbank Rotterdam, voor zover het het verjaarde feit betreft. De zaak werd terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een hernieuwde berechting en afdoening, met uitzondering van het verjaarde feit. De overige cassatiemiddelen werden niet verder behandeld vanwege de genomen beslissingen.

Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het verjaarde feit vervalsing paspoort en de zaak is terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/01522
Datum1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 november 2004, nummer 22-000377-04, in de strafzaak
tegen
[verdachte] (volgens opgave BRP: [verdachte]),
geboren op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging van hetgeen onder 4 aan de verdachte ten laste is gelegd en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak met inachtneming van de hiervoor genoemde beslissing op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer dat het hof in strijd met artikel 327a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft volstaan met het opmaken van een verkort proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2004.
2.2
Het hof heeft aan de Hoge Raad bericht dat een uitgewerkt proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 november 2004 niet is opgemaakt. Op grond hiervan moet worden aangenomen dat de in artikel 327a lid 3 Sv bedoelde aanvulling van het verkorte proces-verbaal niet heeft plaatsgevonden.
2.3
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel voert aan dat voor feit 4 het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
3.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend advocaat-generaal onder 3.
3.3
De Hoge Raad zal voor feit 4 het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2002, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging voor het onder 4 tenlastegelegde;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak – met uitzondering van het onder 4 tenlastegelegde – opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
1 april 2025.