Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
10 januari 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de vader cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende zijn belanghebbendheid in een procedure over ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van zijn kind. De Raad voor de Kinderbescherming, de Stichting Jeugdbescherming Overijssel en de moeder waren verweersters in cassatie, maar hebben geen verweerschrift ingediend.
De Hoge Raad heeft de klachten van de vader beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de beschikking van het hof. De Hoge Raad heeft daarbij geen motivering gegeven, omdat de beoordeling niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De conclusie van de Advocaat-Generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van de vader schriftelijk heeft gereageerd. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en de beschikking van het hof in stand gelaten.
De uitspraak is gedaan door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek en A.E.B. ter Heide, waarbij laatstgenoemde de uitspraak in het openbaar heeft uitgesproken op 10 januari 2025.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof over de belanghebbendheid van de ouder zonder gezag.