Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
15 april 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor rijden onder invloed, waarbij de recidiveregeling van artikel 123b WVW 1994 werd toegepast. De verdachte stelde in cassatie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard en dat de recidiveregeling in strijd was met artikel 47 van Pro het Handvest van de Europese Unie.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij is geen nadere motivering gegeven, omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Daarnaast heeft de Hoge Raad ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de opgelegde geheel voorwaardelijke geldboete van € 100 acht de Hoge Raad dit voldoende en verbindt daaraan geen verdere rechtsgevolgen.
De Hoge Raad besluit het cassatieberoep te verwerpen en bevestigt daarmee het arrest van het gerechtshof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling met een geheel voorwaardelijke geldboete van € 100.