Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
14 januari 2025.
Hoge Raad
In deze strafzaak betrof het een poging tot zware mishandeling. De verdachte was in hoger beroep veroordeeld door het gerechtshof Den Haag. Tijdens de cassatieprocedure klaagde de verdediging dat het recht van laatst spreken, zoals voorgeschreven in artikel 311 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering, niet was verleend aan de verdachte.
De Hoge Raad stelde vast dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet bleek dat de verdachte dit recht was gegund. Omdat het niet verlenen van het recht van laatst spreken een nietigheid tot gevolg heeft, oordeelde de Hoge Raad dat het arrest van het hof vernietigd moest worden.
De zaak werd vervolgens terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag om opnieuw te worden berecht en afgedaan, waarbij het recht van laatst spreken aan de verdachte moet worden gewaarborgd. Dit arrest is uitgesproken op 14 januari 2025 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens het niet verlenen van het recht van laatst spreken.