ECLI:NL:HR:2025:62

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 januari 2025
Publicatiedatum
10 januari 2025
Zaaknummer
24/01232
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 302 SrArt. 45 SrArt. 311 lid 4 Sv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens schending recht laatst te spreken in hoger beroep poging zware mishandeling

In deze strafzaak betrof het een poging tot zware mishandeling. De verdachte was in hoger beroep veroordeeld door het gerechtshof Den Haag. Tijdens de cassatieprocedure klaagde de verdediging dat het recht van laatst spreken, zoals voorgeschreven in artikel 311 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering, niet was verleend aan de verdachte.

De Hoge Raad stelde vast dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet bleek dat de verdachte dit recht was gegund. Omdat het niet verlenen van het recht van laatst spreken een nietigheid tot gevolg heeft, oordeelde de Hoge Raad dat het arrest van het hof vernietigd moest worden.

De zaak werd vervolgens terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag om opnieuw te worden berecht en afgedaan, waarbij het recht van laatst spreken aan de verdachte moet worden gewaarborgd. Dit arrest is uitgesproken op 14 januari 2025 door de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens het niet verlenen van het recht van laatst spreken.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01232
Datum14 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 maart 2024, nummer 22-002392-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de verdachte niet het recht is gelaten het laatst te spreken.
2.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt niet dat aan de verdachte het recht is gelaten het laatst te spreken. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat het voorschrift dat in artikel 311 lid 4 van Pro het Wetboek van Strafvordering op straffe van nietigheid is gegeven, niet in acht is genomen.
2.3
Het cassatiemiddel slaagt.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 januari 2025.