Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
22 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft het cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van poging tot oplichting van woningcorporaties door het verstrekken van valse documenten, medeplegen van valsheid in geschrift, medeplegen van bedreiging en het voorhanden hebben van verboden wapens.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte tegen het hofarrest beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad hoeft deze beslissing niet nader te motiveren omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Wel is ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, waardoor de Hoge Raad de opgelegde gevangenisstraf vermindert van 32 maanden naar 31 maanden. Het overige cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft voor de bewezenverklaring en overige aspecten.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 32 naar 31 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het overige beroep wordt verworpen.