Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
22 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van diefstal met geweld en medeplegen van afpersing. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, en stelde vermindering daarvan voor. De Hoge Raad heeft de klachten van de verdediging beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest, behalve wat betreft de strafmaat.
Vanwege het feit dat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, is de redelijke termijn overschreden zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de gevangenisstraf van 26 maanden naar 25 maanden. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwierp het beroep voor het overige.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 26 naar 25 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.