Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
22 april 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte is veroordeeld voor belaging van zijn voormalige sociotherapeut over een periode van bijna tien jaar.
Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met bijzondere voorwaarden, waaronder een contact- en gebiedsverbod, en daarnaast een vrijheidsbeperkende maatregel van vijf jaar. Deze maatregel was gebaseerd op artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, dat per 1 april 2012 in werking trad.
De Hoge Raad oordeelt dat het bewezenverklaarde feit als één misdrijf is gekwalificeerd, maar dat dit feit ook deels vóór de inwerkingtreding van artikel 38v Sr is gepleegd. Hierdoor is de toepassing van deze vrijheidsbeperkende maatregel onjuist, omdat de wetswijziging niet met terugwerkende kracht kan worden toegepast.
Daarom vernietigt de Hoge Raad de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid daarvan, maar laat de voorwaardelijke gevangenisstraf met de bijzondere voorwaarden onverminderd in stand. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel wordt vernietigd, de voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden blijft gehandhaafd.