Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
23 januari 2018.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van belaging in de periode van 26 juni 2009 tot en met 18 juni 2014. Het hof legde een contactverbod op als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van twee jaar, gebaseerd op artikel 38v Sr, dat op 1 april 2012 in werking trad.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 38v Sr niet van toepassing is op feiten die (mede) vóór de inwerkingtreding zijn gepleegd, omdat dit een wijziging van het sanctierecht betreft die niet terugwerkend mag worden toegepast. Hierdoor is het contactverbod en de dadelijke uitvoerbaarheid daarvan onrechtmatig opgelegd.
Het beroep van de verdachte werd daarom deels gegrond verklaard en het contactverbod vernietigd, terwijl het overige van het hofarrest werd bevestigd. De Hoge Raad verwierp de overige middelen zonder nadere motivering.
Uitkomst: Het contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel wordt vernietigd wegens onrechtmatige terugwerkende kracht, overige veroordeling blijft in stand.