ECLI:NL:HR:2025:69

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
13 januari 2025
Zaaknummer
22/04218
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 285b lid 1 SrArt. 38v SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling voor meermalige belaging en bedreiging met locatie- en contactverbod

De Hoge Raad heeft op 21 januari 2025 het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 oktober 2022. De zaak betrof meermalige belaging en bedreiging, waarbij het hof een gevangenisstraf oplegde van 240 dagen, waarvan 198 dagen voorwaardelijk, en daarnaast een locatie- en contactverbod als vrijheidsbeperkende maatregel.

De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte cassatiemiddelen, waaronder een bewijsklacht over het stelselmatig maken van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster, de motivering van de straf en de duur van het locatieverbod. Deze klachten konden niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad hoefde geen nadere motivering te geven vanwege het ontbreken van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Daarnaast stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, aangezien meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Gezien de aard en duur van de straf zag de Hoge Raad hiervan echter geen aanleiding tot een ander rechtsgevolg.

De Hoge Raad bevestigde daarmee het oordeel van het hof en liet de opgelegde straf en vrijheidsbeperkende maatregelen in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest met de opgelegde straf en vrijheidsbeperkende maatregelen wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04218
Datum21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 oktober 2022, nummer 20-000750-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep met eventueel vernietiging en vervolgens vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 240 dagen waarvan 198 dagen voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2025.