ECLI:NL:HR:2025:706
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Het beroepschrift bevatte echter niet de vereiste gronden zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende daarop gewezen en hem in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen zes weken te herstellen. Deze termijn werd na een gemotiveerd verzoek verlengd tot 25 maart 2025.
Belanghebbende heeft echter geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid om de gronden alsnog aan te voeren. Op grond hiervan heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard conform artikel 6:6 Awb Pro. De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.
Het arrest is op 2 mei 2025 in het openbaar gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad, waarbij tevens de waarnemend griffier aanwezig was.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van de gronden van het beroep.