Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het voorwaardelijke incidentele beroep
5.Beslissing
9 mei 2025.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om een geschil tussen erfgenamen over de verdeling van een verkoopopbrengst van een landbouwbedrijf. De arbitrageprocedure werd gevoerd onder het Arbitragereglement 2015 van het NAI. Een arbiter, Van Engelen, wenste ontheffing van zijn opdracht en richtte zich tot de voorzieningenrechter, terwijl de administrateur van het NAI als derde was aangewezen voor dergelijke verzoeken.
Het hof Amsterdam vernietigde het arbitrale eindvonnis omdat de wijze van totstandkoming in strijd was met de openbare orde. Dit was gebaseerd op het oordeel dat de voorzieningenrechter bevoegd was het verzoek te behandelen en dat het arbitrale vonnis te snel was gewezen zonder het oordeel van de voorzieningenrechter af te wachten.
De Hoge Raad oordeelt dat art. 1029 lid 2 Rv Pro bepaalt dat een arbiter zich alleen tot de voorzieningenrechter kan wenden als partijen geen derde hebben aangewezen. Hier was de administrateur van het NAI als derde aangewezen, zodat de voorzieningenrechter niet bevoegd was. Het oordeel van het hof Amsterdam over de onjuiste gang van zaken kan daarom niet in stand blijven.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling. Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep wordt verworpen. De kosten van het geding worden door partijen zelf gedragen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.