Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
21 januari 2025.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag inzake poging tot doodslag. De verdachte had een ander viermaal met een mes gestoken na een conflict waarbij hij zelf met een krik was geslagen.
De Hoge Raad beoordeelde de ingebrachte cassatiemiddelen en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden, behalve wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf. De klachten over de bewijsvoering en de toepassing van noodweer werden verworpen zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.
Omdat meer dan twee jaar waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn was overschreden zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Dit leidde tot een vermindering van de straf met twaalf maanden.
De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest uitsluitend voor de strafmaat en stelde de gevangenisstraf vast op elf maanden en twee weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot elf maanden en twee weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.