Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
20 mei 2025.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de verdachte behandeld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting en kreeg een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met een gijzelingstermijn van 365 dagen bij niet-betaling.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de duur van de gijzeling, omdat de maximale duur wettelijk beperkt is tot één jaar, wat volgens de Hoge Raad gelijkstaat aan 360 dagen. De overige klachten van de verdachte werden verworpen.
De Hoge Raad vernietigde ambtshalve het deel van het arrest dat de gijzeling op 365 dagen stelde en wijzigde dit in 360 dagen, conform artikel 36f lid 5 Sr en artikel 6:4:20 Sv Pro. Het beroep werd voor het overige afgewezen. Hiermee is de wettelijke maximale duur van gijzeling bij een schadevergoedingsmaatregel bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de duur van de gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel tot 360 dagen en verwerpt het beroep voor het overige.