ECLI:NL:HR:2025:749

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 mei 2025
Publicatiedatum
15 mei 2025
Zaaknummer
23/03803
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 326.1 SrArt. 36f SrArt. 57 SrArt. 58 Sr
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering duur gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel wegens medeplegen oplichting

In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van de verdachte behandeld tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van oplichting en kreeg een schadevergoedingsmaatregel opgelegd met een gijzelingstermijn van 365 dagen bij niet-betaling.

De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest uitsluitend met betrekking tot de duur van de gijzeling, omdat de maximale duur wettelijk beperkt is tot één jaar, wat volgens de Hoge Raad gelijkstaat aan 360 dagen. De overige klachten van de verdachte werden verworpen.

De Hoge Raad vernietigde ambtshalve het deel van het arrest dat de gijzeling op 365 dagen stelde en wijzigde dit in 360 dagen, conform artikel 36f lid 5 Sr en artikel 6:4:20 Sv Pro. Het beroep werd voor het overige afgewezen. Hiermee is de wettelijke maximale duur van gijzeling bij een schadevergoedingsmaatregel bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de duur van de gijzeling bij de schadevergoedingsmaatregel tot 360 dagen en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/03803
Datum20 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 20 september 2023, nummer 22-000916-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedatum] 1960,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.P.W. Nijboer bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de ten behoeve van [slachtoffer] opgelegde schadevergoedingsmaatregel, tot bepaling dat ten behoeve van deze schadevergoedingsmaatregel gijzeling van 360 dagen kan worden toegepast, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

3.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van het in het arrest genoemde [slachtoffer] het in het arrest vermelde bedrag te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 dagen gijzeling.
3.2
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop als bedoeld in artikel 57 en Pro 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).
3.3
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het [slachtoffer] ;
- bepaalt dat voor zover het hof ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het [slachtoffer] met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro de gijzeling op 365 dagen heeft bepaald, moet worden uitgegaan van een gijzeling voor de duur van 360 dagen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 mei 2025.