Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
16 mei 2025.
Hoge Raad
In deze zaak staat de schadeloosstelling centraal die [eisers] ontvangen voor een deel van hun perceel dat werd onteigend voor de verbreding van de A2. De rechtbank Limburg had de schadeloosstelling vastgesteld op een bedrag aanzienlijk lager dan de werkelijke waarde, mede omdat zij rekening hield met een eerdere verkoop van het overblijvende deel van het perceel door [eisers]. Daarnaast wees de rechtbank de kosten van juridische en deskundige bijstand toe, ondanks dat de schadeloosstelling lager was dan het door de Staat aangeboden bedrag.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat [eisers] op de peildatum geen eigenaar meer waren van het overblijvende deel, terwijl de levering nog niet had plaatsgevonden. Verder stelt de Hoge Raad dat de verkoop van het overblijvende deel niet zonder meer kan worden meegenomen bij de waardebepaling, omdat de onteigening haar schaduw vooruit wierp en de verkoop in rechtstreeks verband stond met de onteigening. De eliminatieregel van de Onteigeningswet (oud) is van toepassing.
Ten aanzien van de kosten van rechtsbijstand oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom ook kosten die vóór het verschijnen van het rapport van de schaduwcommissie zijn gemaakt, redelijk zijn. De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling.