Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Nuth,
2.Uitgangspunten en feiten
De werkelijke waarde van het onteigende
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 juli 2021.
Hoge Raad
In deze zaak gaat het om de schadeloosstelling die de onteigende ontvangt voor de onteigening van delen van percelen, waaronder een landgoed met bomen, ten behoeve van een provinciale ringweg. De rechtbank Limburg stelde de schadeloosstelling vast, waarbij zij oordeelde dat de waarde van de bomen was inbegrepen in de waarde van het landgoed en dat er geen waardevermindering van het overblijvende kernperceel was.
De onteigende stelde in cassatie dat de rechtbank ten onrechte geen afzonderlijke vergoeding voor de bomen toekende en dat het oordeel over de waardevermindering van het overblijvende perceel onjuist was omdat de peildatum niet juist was toegepast. De Hoge Raad overwoog dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de waarde van de bomen was verdisconteerd in de waarde van het landgoed, omdat de marktwaarde van de bomen na rooien niet hoger is dan hun bijdrage aan de economische waarde voorafgaand aan het rooien.
Ten aanzien van de waardevermindering van het overblijvende perceel stelde de Hoge Raad vast dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom zij rekening hield met een brief van de pachter die na de peildatum was gedateerd. De Hoge Raad vernietigde daarom het vonnis en verwees de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
De Provincie werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. De zaak betreft belangrijke aspecten van het onteigeningsrecht, met name de waardebepaling van onroerende zaken en de wijze waarop waardevermindering en schadeloosstelling moeten worden vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling.