Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 mei 2025.
Hoge Raad
SnowWorld vordert terugbetaling van door haar betaalde liquiditeitspremies aan ABN AMRO, die zij vanaf 2009 onverschuldigd acht. De rechtbank en het hof Amsterdam verklaarden de vordering verjaard, omdat de verjaring zou zijn aangevangen in het voorjaar van 2009 toen de CFO van SnowWorld telefonisch klaagde over de verhoging van de premies.
De Hoge Raad stelt vast dat bij onverschuldigde periodieke betalingen telkens bij iedere betaling een afzonderlijke vordering ontstaat en dat de verjaringstermijn van vijf jaar per betaling begint te lopen vanaf het moment van die betaling. Het oordeel van het hof dat de verjaringstermijn voor de gehele periode vanaf 2009 begon, is onjuist.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt hij ABN AMRO in de kosten van het cassatiegeding.
De uitspraak verduidelijkt de aanvang van de verjaringstermijn bij onverschuldigde periodieke betalingen en benadrukt het belang van rechtszekerheid en billijkheid in de toepassing van artikel 3:309 BW Pro.
De zaak heeft betrekking op renteswaps en kredietovereenkomsten tussen SnowWorld en ABN AMRO, waarbij liquiditeitspremies in rekening werden gebracht die SnowWorld betwistte.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.