Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
vordering tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie ontstaat (HR 19 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2854, NJ 1999/367; HR 30 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN7327, NJ 2005/246; HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4039, NJ 2007/140). In deze rechtspraak ligt besloten dat de vernietiging van een rechterlijke uitspraak terugwerkende kracht heeft, en dat de vordering strekkende tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie op de voet van art. 6:203 BW Pro ontstaat op het moment waarop ter uitvoering van die uitspraak is gepresteerd, ongeacht of daarbij sprake is van een prestatie als bedoeld in lid 1, lid 2, dan wel lid 3.
danop de voet van art. 6:203 BW Pro een vordering tot ongedaanmaking van deze prestatie ontstaat”.
Die toevoeging beoogt slechts te verduidelijken dat de vordering op de voet van art. 6:203 BW Pro haar grondslag vindt in de vernietiging door de appelrechter van de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg, maar behelst geen regel met betrekking tot het tijdstip waarop deze vordering ontstaat.
Dit verklaart waarom in art. 194 Fw Pro wordt gesproken van het geval dat blijkt dat nog baten van de boedel aanwezig zijn die “ten tijde der vereffening niet bekend waren”. Alle bekende baten dienen immers in de verdeling te worden betrokken.
4.Beslissing
19 december 2014.