Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
3.Beslissing
10 juni 2025.
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een cassatieberoep van een verdachte die werd verdacht van medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid op een middelbare school, gepleegd onder artikel 246 (oud) Sr. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had op 15 maart 2024 een arrest gewezen in deze strafzaak.
De advocaat van de verdachte diende een schriftuur met cassatiemiddelen in, maar deze werd pas ontvangen nadat de wettelijke termijn was verstreken. De advocaat-generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad oordeelde dat de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur strikt moet worden nageleefd en dat niet tijdig indienen leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van artikel 437 lid 2 Sv Pro. Hierdoor kon de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk behandelen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.
De uitspraak werd gedaan op 10 juni 2025 door de vice-president en twee raadsheren, waarbij het beroep van de verdachte werd afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de schriftuur.