ECLI:NL:HR:2025:777

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2025
Publicatiedatum
20 mei 2025
Zaaknummer
24/01156
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 246 SrArt. 437 lid 2 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens te late schriftuur bij medeplegen aanranding eerbaarheid

In deze zaak betrof het een cassatieberoep van een verdachte die werd verdacht van medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid op een middelbare school, gepleegd onder artikel 246 (oud) Sr. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch had op 15 maart 2024 een arrest gewezen in deze strafzaak.

De advocaat van de verdachte diende een schriftuur met cassatiemiddelen in, maar deze werd pas ontvangen nadat de wettelijke termijn was verstreken. De advocaat-generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de wettelijke termijn voor het indienen van de schriftuur strikt moet worden nageleefd en dat niet tijdig indienen leidt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep op grond van artikel 437 lid 2 Sv Pro. Hierdoor kon de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk behandelen en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk.

De uitspraak werd gedaan op 10 juni 2025 door de vice-president en twee raadsheren, waarbij het beroep van de verdachte werd afgewezen zonder inhoudelijke beoordeling van de zaak.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte werd niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de schriftuur.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer24/01156 J
Datum10 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 15 maart 2024, nummer 20-001231-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem een schriftuur ingediend, die echter pas bij de griffie van de Hoge Raad is ingekomen nadat de daarvoor in de wet gestelde termijn was verlopen.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

De wet bepaalt binnen welke termijn een advocaat namens de verdachte een schriftuur met cassatiemiddelen (klachten) bij de Hoge Raad moet indienen. Aan die verplichting is niet voldaan. Het gevolg daarvan is dat de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet in behandeling kan nemen (zie artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering).

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
10 juni 2025.