ECLI:NL:HR:2025:794

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
22/04460
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69.1 AWRArt. 81.1 Wet ROArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering geldboete wegens overschrijding redelijke termijn in zaak bedrijfsadministratie

De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor feitelijke leiding geven aan het opzettelijk niet voeren en bewaren van een volledige bedrijfsadministratie door een rechtspersoon, in strijd met artikel 69.1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

De verdachte stelde onder meer een beroep in op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens schending van het ne bis in idem-beginsel en voerde bewijsklachten aan over de omvang van de administratieplicht, de rol van feitelijk leidinggever en het opzet ten aanzien van het voeren van een ondeugdelijke administratie.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering te geven, omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn van meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep was overschreden, waardoor vermindering van de opgelegde geldboete en de vervangende hechtenis noodzakelijk was.

De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis, en stelde deze vast op € 7.125 en 70 dagen hechtenis. Voor het overige werd het beroep verworpen.

Uitkomst: De geldboete en vervangende hechtenis werden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/04460
Datum27 mei 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 november 2022, nummer 22-000339-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] (China) op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten P. de Haas en J.S. Klaver bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen wat betreft de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsvrouw P. de Haas heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 7.500, subsidiair 72 dagen hechtenis.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis;
- vermindert de geldboete en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze € 7.125, subsidiair 70 dagen hechtenis, bedragen;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
27 mei 2025.