Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
27 mei 2025.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van goederen vervaardigd van krokodillenleer uit Thailand zonder de vereiste invoervergunning, in strijd met artikel 3.37 Wet natuurbescherming en EU-verordeningen. Het hof stelde dat de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het ontbreken van de vergunning, omdat hij zich niet had vergewist van het bestaan van de vergunning en erop vertrouwde dat de verkoper deze zou regelen.
De verdediging voerde aan dat de verdachte handelde in de veronderstelling dat de verkoper zorg zou dragen voor de vergunningen, en dat er dus geen opzet was op het ontbreken daarvan. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het opzet van de verdachte gericht zou zijn geweest op het zonder vergunning invoeren van de goederen, mede gelet op het vertrouwen van de verdachte in de verkoper.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe berechting. De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking gezien deze beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens ontoereikende motivering van het opzet.