ECLI:NL:HR:2025:9

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 januari 2025
Publicatiedatum
18 december 2024
Zaaknummer
23/02487
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 249 lid 1 Sr (oud)Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing cassatie tegen arrest ontucht met minderjarige stiefdochter

De zaak betreft een 46-jarige verdachte die werd veroordeeld voor meermalen gepleegde ontucht met zijn 16-jarige stiefdochter, zoals omschreven in artikel 249 lid 1 van Pro het oude Wetboek van Strafrecht. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte de getuigenverklaringen van zijn tante en een oud-collega niet had toegelaten, omdat deze verklaringen niet relevant zouden zijn voor de strafzaak.

De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel beoordeeld en geoordeeld dat de klachten van verdachte niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de klachten in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het beroep van verdachte werd derhalve verworpen. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 juni 2023 ongewijzigd van kracht. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 7 januari 2025.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02487
Datum7 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 juni 2023, nummer 21-003925-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
7 januari 2025.