ECLI:NL:PHR:2024:1099

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
20 oktober 2024
Zaaknummer
23/02487
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep ontucht met stiefdochter wegens falend getuigenverzoek

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf wegens ontucht met zijn stiefdochter in de periode van september 2017 tot maart 2018. In hoger beroep heeft de verdediging verzocht om twee getuigen te horen: de tante van de verdachte en een oud-collega, die verklaringen zouden kunnen afleggen die de betrouwbaarheid van het slachtoffer en de moeder zouden ondermijnen.

De raadsheer-commissaris heeft deze verzoeken op 12 augustus 2022 afgewezen, een beslissing die het hof in het arrest van 27 juni 2023 heeft bevestigd. Het hof oordeelde dat de verklaringen van het slachtoffer en haar moeder betrouwbaar en overtuigend zijn, mede ondersteund door WhatsApp-berichten. De verklaringen van de getuigen zouden geen wezenlijke afbreuk doen aan deze betrouwbaarheid.

De verdediging klaagde in cassatie over de afwijzing van de getuigenverzoeken, maar de procureur-generaal stelt dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd door te beoordelen dat het horen van deze getuigen niet van belang is voor de strafzaak. Ook is de verdediging niet geschaad doordat zij de mogelijkheid heeft laten liggen om de moeder van het slachtoffer tijdens het onderzoek te bevragen over de vermeende uitlating van de oud-collega.

De conclusie van de procureur-generaal is dan ook dat het cassatieberoep moet worden verworpen, omdat geen gronden voor vernietiging van het arrest aanwezig zijn.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van 22 maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/02487

Zitting22 oktober 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 27 juni 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens 1. subsidiair en 2.
“telkens: ontucht plegen met een aan zijn zorg of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een beslissing genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt dat het hof het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] heeft afgewezen op gronden die deze afwijzing niet kunnen dragen.

De bewezenverklaring

4. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1. subsidiair
hij op meer tijdstippen in de periode van 1 september 2017 tot en met 11 maart 2018 te [plaats], telkens met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer], ontucht heeft gepleegd, immers heeft hij één of meermalen (telkens)
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht en
- zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer] heeft gebracht.
2. hij op meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 januari 2017 tot en met 11 maart 2018 te [plaats], telkens met een aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [slachtoffer], ontucht heeft gepleegd, immers heeft hij één of meermalen (telkens)
- de borsten van die [slachtoffer] aangeraakt en betast en
- zijn tong tegen de vagina van die [slachtoffer] gebracht en
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] gebracht en
- zich laten aftrekken door die [slachtoffer].”
Het procesverloop inzake het verzoek van de verdediging tot het horen van de getuigen
5. Op 28 oktober 2020 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Op 11 november 2020 heeft de raadsman van de verdachte een appelschriftuur ingediend en daarin onder meer verzocht om [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen. [1] In deze appelschriftuur wordt betoogd dat het in het belang van de verdediging is om beide getuigen te horen, omdat (i) de [getuige 1] (de tante van de verdachte) kan bevestigen dat de verklaring van het slachtoffer, te weten dat het seksuele contact in september 2017 begon, in strijd is met de waarheid (nu de verdachte in september 2017 in de weekenden bij haar verbleef en begin oktober 2017 in het buitenland was voor werk), en (ii) de [getuige 2] (een oud-collega van de verdachte) kan bevestigen dat de moeder van het slachtoffer (de [getuige 3]) [2] tijdens een telefoongesprek met de verdachte heeft gezegd dat de aangifte
“onzin”is.
6. Op 12 augustus 2022 heeft de raadsheer-commissaris ten aanzien van beide getuigenverzoeken een afwijzende beslissing genomen. [3]
7. Op 13 juni 2023 heeft de behandeling in hoger beroep plaatsgevonden. In het proces-verbaal van die terechtzitting is onder meer gerelateerd:
“Desgevraagd geeft de raadsman aan dat hij in zijn pleidooi zal ingaan op de onderzoekswensen.
De raadsman voert het woord tot verdediging overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.”
8. De betreffende pleitnota vermeldt het volgende (met weglating van de voetnoten):
“Voorwaardelijk verzoeken
54. Mocht uw gerechtshof de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs achten en van oordeel zijn dat deze voldoende en overtuigend wordt ondersteund door overige bewijsmiddelen, dan doet de verdediging hierbij uitdrukkelijk het (voorwaardelijke) verzoek om alsnog een tweetal, eerder bij appelschriftuur opgegeven, getuigen te horen.
[getuige 1]
55. Cliënt heeft vanaf dat de beschuldiging bekend werd zich hardop afgevraagd wanneer de tenlastegelegde gedragingen dan zouden moeten hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] en [betrokkene 1] kwamen eens in de twee weken, in het weekend, bij hun moeder. Cliënt verbleef in een groot deel van de tenlastegelegde periode bij zijn tante, [getuige 1]. Zo ook in de periode dat volgens [slachtoffer] de seks begon, te weten september 2017.
56. Volgens de verdediging kan in de WhatsApp-berichten steun voor de verklaring van cliënt worden gevonden dat hij veel van huis was. Zo vraagt aangeefster op 1 november 2017 hoe lang cliënt nog bij zijn tante mag komen; of ze het daar wel eens over hebben. Aangeefster schrijft dan om 20:15:02 nog: "Nee oké, maar goed je bent er al een jaar.” En ook [betrokkene 1] verklaart tijdens het verhoor dat cliënt ‘heel veel’ weg was.
57. De verdediging heeft eerder, bij appelschriftuur, verzocht om de tante van cliënt te horen als getuige nu zij kan bevestigen dat cliënt in de tenlastegelegde periode vaak – en ook in de weekenden – bij haar verbleef. De getuige kan bevestigen dat cliënt bij haar verbleef in de periode dat volgens [slachtoffer] de seks begon. Mocht uw hof van oordeel zijn dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is, dan is het voor de verdediging noodzakelijk om deze getuige alsnog te horen nu zij kan bevestigen dat de tijdlijn die door [slachtoffer] geschetst wordt niet kan kloppen.
[getuige 2]
58. Bij appelschriftuur is aangegeven dat [getuige 2] – een oud-collega van cliënt – in het najaar van 2018 een telefoongesprek tussen cliënt en aangeefster heeft opgevangen waarin zij aangeefster heeft horen zeggen dat de aangifte ‘onzin’ is. Volgens de verdediging past dat bij de WhatsApp-berichten van aangeefster uit juli 2018, "Zal [slachtoffer] de boel verzonnen hebben?” en “Heeft ze [[slachtoffer]] dan zo ’n rijke fantasie?”. Aangeefster heeft in de tweede helft van 2018 aantoonbaar getwijfeld aan het verhaal van haar dochter.
59. Mocht uw gerechtshof de verklaring van aangeefster als belastend steunbewijs gebruiken, dan verzoekt de verdediging hierbij expliciet om [getuige 2] te horen nu de verdediging middels haar verklaring nader kan onderbouwen dat aangeefster tegenstrijdig heeft verklaard. Die tegenstrijdigheid maakt volgens de verdediging dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar genoeg is om als belastend bewijs jegens cliënt te dienen.”
9. Het bestreden arrest d.d. 27 juni 2023 houdt, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende in:
“Verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij gedurende een langere periode meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn op dat moment minderjarige stiefdochter [slachtoffer].
(…)
De raadsman heeft verder twee voorwaardelijke verzoeken gedaan in het geval het hof tot een bewezenverklaring komt.
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij in het bijzonder als volgt.
(…)
De verklaring van [slachtoffer] vindt steunt in de aangifte van haar moeder [getuige 3].
(…)
Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat uit de chatgesprekken via WhatsApp tussen [getuige 3] en verdachte blijkt dat [getuige 3] in het begin heeft getwijfeld aan hetgeen zij had waargenomen.
Het enkele feit dat [getuige 3] af en toe lijdende is aan psychoses en depressies, is naar het oordeel van het hof onvoldoende om aan te nemen dat daarvan in de betreffende nacht ook sprake is geweest. Het dossier bevat dienaangaande ook geen aanwijzingen. Juist het tegendeel lijkt uit het dossier naar voren te komen, nu de psychiater van [getuige 3] tegen haar heeft gezegd dat zij vanwege de medicatie die periode niet psychotisch was. Bovendien acht het hof het niet vreemd dat [getuige 3] eerst getwijfeld heeft aan hetgeen zij heeft waargenomen. Het gaat hier immers om een moeder die haar (inmiddels ex-) partner aantreft met haar minderjarige dochter onder zeer ongebruikelijke omstandigheden. Het komt het hof evenmin vreemd voor dat [getuige 3] vervolgens bij haar dochter heeft geprobeerd te achterhalen wat er speelde. Geenszins is gebleken dat [slachtoffer] onder druk een onbetrouwbare verklaring heeft afgelegd. De chatgesprekken via WhatsApp tussen [getuige 3] en verdachte doen aan dit alles geen afbreuk. Integendeel, de chatgesprekken ondersteunen juist dat [getuige 3] regelmatig verdachte heeft geconfronteerd met hetgeen er volgens [slachtoffer] is gebeurd én met hetgeen zij zelf heeft waargenomen. Ter illustratie citeert het hof uit die – namens verdachte voorafgaand aan de zitting van het hof aan het hof overgelegde – appjes het volgende. Daarbij verwijst het hof naar de paginanummering van de door de verdediging overgelegde bijlage en voegt het tussen haakjes de data van het betreffende appbericht van [getuige 3] toe.
- Pagina 25 7 (22-04-2018): Ik heb het zelf gezien.
- Pagina 280 (06-05-2018): Gaat om [slachtoffer]. Mij de schuldgeven van wat jij hebt gedaan.
- Pagina 287 (10-05-2018): Waarom [slachtoffer]? Waarom seks met haar?
- Pagina 291 (11-05-2018): Ik vind sexuele handelingen met een tiener ook kapot maken.
- Pagina 313 (24-05-2018): Dat jij zeven maanden fout bezig bent geweest.
- Pagina 317 (26-05-2018): Dus [slachtoffer] liegt. [slachtoffer] vertelt toch geen leugens? Lieg ik dan?
- Pagina 325 (30-05-2018): Zijn je ouders al op de hoogte van de situatie van [slachtoffer]?
- Pagina 328 (30-05-2018: Jij hebt gewoon sex gehad met haar.
- Pagina 352 (13-06-2018): Je bent een zak. Naar bed gaan met je stiefdochter.
- Pagina 356 (17-06-2018): Sorry dat ik mijn kind geloof.
- Pagina 388 (11-07-2018): Jij hebt seks met haar gehad. Jij hebt haar bedreigd.
- Pagina 406 (19-07-2018): Jij hebt seks gehad met een van mijn dochters.
- Pagina 421 (24-07-2018): [slachtoffer] gebruiken.
- Pagina 475/476 (16-10-2018): Flikker op. Ik zag je zelf.
Aan de waardering van de overtuigende kracht van de als bewijsmiddel gebruikte verklaring van [getuige 3] doen de appberichten dus niets af. Voorts concludeert het hof dat de verklaring van [slachtoffer] aldus niet alleen intrinsiek betrouwbaar is, maar dat deze ook is ingebed in een bredere context die haar verklaring temeer betrouwbaar maakt.
(…)
Het hof acht op grond van het voorgaande het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Evenals de rechtbank zal het hof de onder 1 subsidiair tenlastegelegde periode beperken tot 1 september 2017 tot en met 11 maart 2018, nu uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat er vanaf ongeveer september 2017 sprake was van seks.
(…).
Voorwaardelijke verzoeken
De raadsman heeft voorwaardelijk verzocht om [getuige 1] als getuige te horen, indien de verklaring van [slachtoffer] voor het bewijs wordt gebezigd. [getuige 1] is de tante van verdachte. Zij zou kunnen bevestigen dat verdachte gedurende een groot deel van de tenlastegelegde periode bij haar verbleef, ook in de periode dat volgens [slachtoffer] de seks begon.
De verdediging heeft dit verzoek ook in een eerder stadium als onderzoekswens bij het hof ingediend. De raadsheer-commissaris heeft in zijn beslissing d.d. 12 augustus 2022 daartoe het volgende overwogen.
[slachtoffer] heeft in haar op 4 mei 2018 tegenover de politie afgelegde verklaring aangegeven dat verdachte met zijn grensoverschrijdende gedragingen is begonnen kort nadat zij 16 jaar oud was geworden. Zij noemt daarbij ter nadere precisering dat het in de maanden januari of februari (2017) moet zijn geweest. Over wat zij aanduidt met ‘seks’ (waarmee zij bedoelt het penetreren met de penis) zegt zij aanvankelijk dat zij niet meer goed weet wanneer dat precies is begonnen, en ook dat het ongeveer in september is begonnen, maar dat dat ook in augustus geweest kan zijn. Ter nadere precisering hiervan geeft zij aan, dat het is geweest nadat een kortstondige relatie met [betrokkene 2] voorbij was. Deze relatie heeft volgens [slachtoffer] vanaf de periode van eind juni/begin juli 2017 ongeveer drie weken geduurd.
Haar verklaring tegenover de rechter-commissaris op 13 januari 2020 wijkt hier niet veel van af. Bij de rechter-commissaris heeft zij bovendien nog verklaard dat verdachte er twee of drie weekenden niet is geweest, omdat hij toen weg was. Onder deze omstandigheden zal met de beoogde verklaring van verdachtes tante, ook wanneer deze inhoudt dat verdachte in de weekenden in september 2017 bij haar in [plaats] verbleef en dat verdachte begin oktober 2017 in het buitenland verbleef vanwege werkverplichtingen, niet kunnen worden bevestigd dat de verklaring van [slachtoffer] in strijd is met de waarheid.
Aanvullende overweging hof
Het hof acht de overwegingen van de raadsheer-commissaris juist en neemt deze overwegingen over. Het hof overweegt daarnaast het volgende.
Ook indien verdachte een groot deel van de tenlastegelegde periode niet in de buurt van [slachtoffer] aanwezig was, staat dit niet in de weg aan hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard. Zo noemt [slachtoffer] geen heel specifieke periode, maar houdt zij in haar verklaring een slag om de arm daar waar het gaat om de momenten dat de tenlastegelegde gedragingen hebben plaatsgevonden. Het hof wijst het verzoek tot het horen van [getuige 1] als getuige af.
Voorts heeft de raadsman voorwaardelijk verzocht om [getuige 2] als getuige te horen, indien de verklaring van aangeefster [getuige 3] als belastend steunbewijs wordt gebruikt. [getuige 2] is een oud-collega van verdachte. In het najaar van 2018 zou zij een telefoongesprek tussen verdachte en [getuige 3] hebben opgevangen, waarbij zij [getuige 3] heeft horen zeggen dat de aangifte ‘onzin’ is. Volgens de verdediging past dit bij het beeld dat aangeefster in de tweede helft van 2018 heeft getwijfeld aan het verhaal van haar dochter.
De verdediging heeft dit verzoek ook in een eerder stadium als onderzoekswens bij het hof ingediend. De raadsheer-commissaris heeft in zijn beslissing d.d. 12 augustus 2022 daartoe het volgende overwogen.
De gestelde uitlating is volgens de verdediging in het najaar van 2018 gedaan in tegenwoordigheid van verdachte. Tijdens het verhoor van [getuige 3] (de gestelde bron van deze uitlating) op 13 januari 2020 door de rechter-commissaris is van de zijde van de verdediging nagelaten om vragen te stellen over die uitlating. Niet alleen is dit de meest aangewezen persoon om over de gestelde uitlating te bevragen, maar het lag ook op de weg van de verdediging om zulks te doen. Aangeefster [getuige 3] heeft tijdens genoemd verhoor door de rechter-commissaris geenszins verklaard dat haar aangifte onzin is. Integendeel, zij heeft daar toen, in tegenwoordigheid van de verdediging, op heldere wijze in bevestigende zin verklaard over hetgeen waarover zij ook in haar aangifte heeft verklaard. Nu de verdediging de mogelijkheid onbenut heeft gelaten om hierover rechtstreeks aan aangeefster vragen te stellen, kan niet worden gesteld dat de verdediging in enig belang wordt geschaad door afwijzing van het verzoek om deze zijdelings betrokken derde hierover te horen.
Aanvullende overweging hof
Het hof acht de overwegingen van de raadsheer-commissaris juist en neemt deze overwegingen over. Het hof komt, mede nog in aanmerking genomen de WhatsApp-conversatie tussen [getuige 3] en verdachte, zoals hierboven is weergegeven, niet tot een andere afweging en wijst het verzoek tot het horen van [getuige 2] als getuige af.”

Een samenvatting van ’s hofs oordeel en een nadere omschrijving van het middel

De [getuige 1]
10. Volgens het hof is de verklaring van de [getuige 1] over waar de verdachte in de weekenden van september en begin oktober 2017 verbleef, niet onverenigbaar met hetgeen het slachtoffer heeft verklaard, nu het slachtoffer in haar verklaring
“een slag om de arm houdt”daar waar het gaat om de momenten waarop de ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden.
11. De stellers van het middel betogen dat de afwijzing van het verzoek niet voldoet aan de
“daaraan te stellen maatstaven”, en onjuist en ook onbegrijpelijk is. In de kern wordt betoogd dat de verklaring van [getuige 1] kan strekken tot staving van de betwisting van het ten laste gelegde.
De [getuige 2]
12. Ten aanzien van de [getuige 2] is het hof van oordeel dat de verdediging [getuige 3] tijdens het rechter-commissarisverhoor d.d. 13 januari 2020 niet heeft bevraagd naar haar uitlating dat de aangifte
“onzin”is, welke uitlating zij volgens de verdediging in het najaar van 2018 in tegenwoordigheid van de verdachte zou hebben gedaan. Nu de verdediging deze mogelijkheid onbenut heeft gelaten, kan niet worden gezegd dat zij in enig belang is geschaad door afwijzing van het verzoek om [getuige 2] – als zijdelings betrokken derde – over de (vermeende) uitlating van [getuige 3] te horen. Daarbij heeft het hof zijn oordeel mede gegrond op de whatsapp-conversatie tussen [getuige 3] en de verdachte (zoals hiervoor weergegeven onder randnummer 9).
13. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat
“de afwijzing van het verzoek de [getuige 2] te horen onjuist is en/of te kort schiet (mede) in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd”en wordt in het bijzonder betoogd dat [getuige 3] tijdens het rechter-commissarisverhoor nog niet kon worden geconfronteerd met de getuigenverklaring van [getuige 2], nu [getuige 2] op dat moment nog niet was gehoord.

De bespreking van het middel

De [getuige 1]
14. Het hof heeft het verzoek tot het horen van de [getuige 1] afgewezen en daartoe overwogen dat
“Ook indien verdachte een groot deel van de tenlastegelegde periode niet in de buurt van [slachtoffer] aanwezig was, dit niet in de weg (staat) aan hetgeen [slachtoffer] heeft verklaard”. In deze motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek ligt m.i. besloten dat het hof van oordeel is dat de punten waarover [getuige 1] kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing, nu de verklaring van [getuige 1] geen afbreuk kan doen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer. Daarmee heeft het hof bij de beoordeling van het getuigenverzoek de juiste maatstaf (het verdedigingsbelang) gehanteerd. [4] , [5] Voor zover wordt geklaagd dat de afwijzing van het verzoek niet voldoet aan “
de daaraan te stellen maatstaven”, faalt de klacht dus.
15. Ik acht het oordeel van het hof evenmin onbegrijpelijk, gelet op hetgeen enerzijds aan het verzoek ten grondslag is gelegd (te weten dat de verklaring kan aantonen dat het slachtoffer in strijd met waarheid heeft verklaard) en anderzijds de gronden waarop het verzoek is afgewezen. Immers, het hof heeft overwogen dat uit de verklaring van het slachtoffer blijkt dat er
“vanaf ongeveer september 2017 sprake was van seks”. Daarbij heeft het hof in zijn oordeel betrokken dat het slachtoffer niet meer goed weet wanneer ‘het’ (het penetreren met de penis) is begonnen, dat
“dat ook in augustus geweest kan zijn”en dat zij bovendien heeft verklaard dat de verdachte er twee of drie weekenden niet is geweest. In ’s hofs oordeel ligt besloten dat ook als [getuige 1] een getuigenverklaring zou afleggen in de door de verdediging veronderstelde zin, die getuigenverklaring de verklaring van het slachtoffer niet kan ontkrachten. Het hof heeft in zo’n geval – zonder op ontoelaatbare wijze vooruit te lopen op de inhoud van de getuigenverklaring – mogen aannemen dat de verdediging geen belang heeft bij het horen van de getuige.
16. In zoverre faalt het middel.
De [getuige 2]
17. Uit ’s hofs aanvullende overweging maak ik op dat het hof bij de afwijzing van het verzoek om de [getuige 2] te horen (mede) heeft betrokken het app-verkeer tussen de verdachte en [getuige 3]. Hierin ligt besloten dat het hof in zijn (voorlopig) oordeel de op dat moment aanwezige onderzoeksresultaten heeft meegewogen. Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het hof het verzoek, overeenkomstig de overwegingen van de raadsheer-commissaris en in aanmerking genomen het app-verkeer tussen [getuige 3] en de verdachte, heeft afgewezen. Zonder op ontoelaatbare wijze vooruit te lopen op hetgeen de [getuige 2] kon verklaren, heeft het hof kunnen oordelen dat het meer waarde hechtte aan de inhoud van de app-wisseling tussen de verdachte en [getuige 3] dan aan de mededeling dat [getuige 3] op enig moment zou hebben gezegd dat de aangifte
“onzin”was. Die mededeling doet immers niet af aan de inhoud van de app-wisseling en aan hetgeen [getuige 3] ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard.
18. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de motivering van de afwijzing van het verzoek om [getuige 2] te horen tekortschiet, waardoor het middel ook in zoverre faalt.

Slotsom

19. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
20. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Daarnaast heeft de raadsman verzocht om de vriendin van de verdachte A. Rosheuvel als getuige te horen. Ook dit verzoek is op 12 augustus 2022 door de raadsheer-commissaris afgewezen. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman dit verzoek niet herhaald. In cassatie blijft deze getuige verder buiten beschouwing.
2.In de voorliggende zaak is de aangifte gedaan door de moeder van het slachtoffer, [getuige 3]. Zij is hier ‘de aangeefster’. Ik heb er daarom bewust voor gekozen de term ‘het slachtoffer’ te reserveren voor [slachtoffer], ofschoon nog niet onherroepelijk in rechte is vastgesteld dat zij daadwerkelijk het slachtoffer is.
3.De gronden waarop de raadsheer-commissaris de getuigenverzoeken heeft afgewezen, worden door het hof herhaald in het bestreden arrest d.d. 27 juni 2023, zoals hierna weergegeven onder randnummer 9.
4.Over de invulling van het criterium van het verdedigingsbelang gaat HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
5.Uit de onder randnummers 5-8 weergegeven processuele gang van zaken, maak ik op dat de verdediging de getuigenverzoeken tijdig bij appelschriftuur heeft ingediend. Nadat de RHC het verzoek heeft afgewezen, heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd aangegeven bij pleidooi in te zullen gaan op de onderzoekswensen, waarna het bij appelschriftuur gedane verzoek door het hof pas is behandeld n.a.v. het pleidooi. Hoewel juister ware geweest als het verzoek bij áánvang van het onderzoek t.t.z. aan het hof zou zijn voorgelegd, is op een dergelijk verzoek naar het mij voorkomt het verdedigingsbelang van toepassing. Overigens doet aan het voorgaande m.i. niet af dat de RHC tussendoor op de onderzoekswensen (voorlopige) beslissingen heeft genomen.