AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen gronden
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.H. Sligchers, stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Het beroepschrift dat via het webportaal van de Hoge Raad werd ontvangen, bevatte niet de vereiste gronden van het beroep zoals voorgeschreven in artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb.
De griffier van de Hoge Raad stelde belanghebbende op 25 februari 2025 in de gelegenheid om dit verzuim binnen zes weken te herstellen, waarbij de termijn eindigde op 8 april 2025. Hoewel belanghebbende op 9 april 2025 alsnog een brief met de gronden indiende, was dit na afloop van de gestelde termijn, waardoor dit stuk buiten beschouwing werd gelaten.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzuim niet tijdig was hersteld en verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:6 AwbPro. Er werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest werd gewezen door de raadsheren Faase, Cools en Peters en op 13 juni 2025 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van de gronden van het beroep.
Uitspraak
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer25/00564
Datum13 juni 2025
ARREST
op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door J.H. Sligchers, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 januari 2025, nrs. 23/361 en 23/362 [1] .
1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
1.1
Het via het webportaal van de Hoge Raad ontvangen beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep. De griffier van de Hoge Raad heeft op 25 februari 2025 in het digitale dossier van belanghebbende een bericht geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid wordt gesteld dat verzuim binnen zes weken na die datum te herstellen. Die termijn eindigde op 8 april 2025. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in het digitale dossier van belanghebbende is eveneens op 25 februari 2025 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 25 februari 2025.
1.2
Op 9 april 2025 heeft de Hoge Raad via het webportaal een brief van belanghebbende met de gronden van het beroep ontvangen. Aangezien die brief na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, laat de Hoge Raad dit stuk buiten beschouwing. Belanghebbende heeft het hiervoor bedoelde verzuim derhalve niet tijdig hersteld. Daarom zal de Hoge Raad het beroep in cassatie met toepassing van artikel 6:6 AwbPro niet-ontvankelijk verklaren.
2.Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
3.Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2025.