Belanghebbende, een onderneming in rubberproducten, bracht in haar aangiften vennootschapsbelasting over 2011 en 2012 aanzienlijke bemiddelingskosten ten laste van de winst, gefactureerd door een in Hong Kong gevestigd bedrijf. De inspecteur legde een navorderingsaanslag, heffingsrente en een boete op en stelde een verliesbeschikking vast. Belanghebbende maakte bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, die haar in het gelijk stelde. De inspecteur ging in hoger beroep.
Het hof oordeelt dat de inspecteur de informatie die via het belastingverdrag met Hong Kong is verkregen, terecht mag gebruiken, ook al betreft het deels jaren voorafgaand aan de inwerkingtreding van het verdrag. De bemiddelingskosten worden niet als zakelijk erkend, omdat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er een reële bemiddelingsovereenkomst bestond en dat de betalingen een daadwerkelijke tegenprestatie betroffen. De overeenkomst en facturen vertonen onduidelijkheden en inconsistenties, en de financiële administratie van de Hongkongse entiteit roept twijfels op.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de inspecteur geen toezegging heeft gedaan dat correcties op facturen tot acceptatie van de kosten zouden leiden. Ten aanzien van de opgelegde vergrijpboete stelt het hof vast dat belanghebbende geen pleitbaar standpunt heeft ingenomen en dat het innemen van dit standpunt in hoger beroep strijdig is met de goede procesorde. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.