ECLI:NL:HR:2025:94

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2025
Publicatiedatum
17 januari 2025
Zaaknummer
22/02939
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 310 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring diefstal ondanks betwisting herkenning op camerabeelden

In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor meervoudige diefstal van een spijkerbroek, flessen parfum en een bril. De rechtbank sprak de verdachte vrij, maar het gerechtshof 's-Hertogenbosch oordeelde anders en achtte de verdachte schuldig op basis van herkenningen door verbalisanten op camerabeelden.

De verdediging stelde in cassatie dat deze herkenningen onbetrouwbaar waren, maar de Hoge Raad verwierp dit verweer. Het hof had immers vastgesteld dat de camerabeelden scherp en van goede kwaliteit waren, dat het steeds om dezelfde dader ging en dat deze duidelijk gelijkenissen vertoonde met de foto op de identiteitskaart van de verdachte.

De Hoge Raad bevestigde dat de bewijsvoering van het hof voldoende was en wees het cassatieberoep af. Wel merkte de Hoge Raad op dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, maar dat dit geen gevolgen had voor de opgelegde straf van 150 dagen gevangenisstraf, waarvan 122 voorwaardelijk.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor meervoudige diefstal en wijst het cassatieberoep af.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/02939
Datum21 januari 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 juli 2022, nummer 20-003929-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S. Ben Tarraf, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de verwerping van het verweer dat de herkenningen van de verdachte door de verbalisanten onbetrouwbaar zijn.
2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 150 dagen, waarvan 122 dagen voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2025.