ECLI:NL:HR:2025:951

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2025
Publicatiedatum
16 juni 2025
Zaaknummer
23/02362
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420ter SrArt. 420bis.1.b SrArt. 225.1 SrArt. 26.1 WWMArt. 55.1 WWM
Verwijzingen
11 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens verjaring en overschrijding redelijke termijn in medeplegen witwassen en valsheid in geschrift

De Hoge Raad behandelt het cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, valsheid in geschrift en het bezit van een gaspistool en munitie. Het hof had hem veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf.

De Hoge Raad oordeelt dat het feit van het voorhanden hebben van munitie, gepleegd op of omstreeks 17 juni 2012, is verjaard omdat de verjaringstermijn van maximaal twaalf jaar is verstreken. Daarom verklaart de Hoge Raad het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor dit onderdeel van de tenlastelegging.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden en de Hoge Raad pas na meer dan twee jaar uitspraak doet. Dit leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 21 naar 20 maanden.

De overige cassatieklachten worden verworpen omdat zij geen aanleiding geven tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest en het vonnis van de rechtbank Gelderland uitsluitend voor het onderdeel munitie en de strafduur, verklaart het OM niet-ontvankelijk voor het bezit van munitie, vermindert de straf en verwerpt het beroep voor het overige.

Uitkomst: OM niet-ontvankelijk verklaard voor bezit munitie wegens verjaring en gevangenisstraf verminderd naar 20 maanden wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/02362
Datum24 juni 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 juni 2023, nummer 21-001447-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel voert wat betreft feit 4 onder meer aan dat ten aanzien van het voorhanden hebben van twee patronen het recht tot strafvordering wegens verjaring is vervallen.
2.2.1
Aan de verdachte is, kort samengevat en voor zover hier van belang, tenlastegelegd:
- onder 1 primair: (medeplegen van) gewoontewitwassen;
- onder 2 primair en 3: (medeplegen van) valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;
- onder 4: voorhanden hebben van een wapen van categorie III, te weten een gaspistool (Jet, type protector, type H9112) en voorhanden hebben van munitie, te weten 2 patronen (Piexon kal. 14mm).
2.2.2
Het hof heeft het tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden. Die uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2023:4939.
2.3
Het onder 2.2.1 vermelde feit 4 – voor zover het ziet op het voorhanden hebben van de munitie – is bij artikel 26 lid 1 in Pro samenhang met artikel 55 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie strafbaar gesteld als misdrijf waarop een gevangenisstraf van ten hoogste negen maanden is gesteld.
2.4
Dat feit is volgens de tenlastelegging begaan op of omstreeks 17 juni 2012. Op grond van artikel 70 lid Pro 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht beloopt de verjaringstermijn in dit geval ten hoogste twee maal zes jaren.
Daarom is wat betreft het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie het recht tot strafvordering wegens verjaring vervallen.
2.5
Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, slaagt het. De Hoge Raad zal wat betreft het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie, te weten 2 patronen (Piexon kal. 14mm), het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging. Voor het verminderen van de duur van de opgelegde gevangenisstraf op deze grond bestaat onvoldoende aanleiding, omdat de aard en de ernst van wat overigens ten laste van de verdachte is bewezenverklaard niet worden aangetast door deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 21 maanden.

4.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige

De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof en de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 februari 2018, maar uitsluitend wat betreft (i) de beslissingen over het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie en (ii) de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van het onder 4 tenlastegelegde voorhanden hebben van munitie;
- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze twintig maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
24 juni 2025.