Conclusie
4.Het eerste middel
5.Het tweede middel
Beoordeling van het bewijs
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen, meermalen gepleegde valsheid in geschrift en het voorhanden hebben van een gaspistool en munitie in strijd met de Wet wapens en munitie. De verdachte werd veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf.
De eerste klacht betrof verjaring van het feit van het voorhanden hebben van het gaspistool en munitie. De Procureur-Generaal oordeelt dat het gaspistool kwalificeert als een vuurwapen van categorie III, waardoor de verjaringstermijn twaalf jaar bedraagt en het feit niet verjaard is. Het tweede middel betrof de bewijskracht van verklaringen over aflossing van geldleningen die verband houden met witwassen. Het hof achtte bewezen dat leningen deels contant waren afgelost, mede gelet op verklaringen van verdachte en medeverdachte, en verwierp het verweer dat niets was afgelost. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
Het derde middel betrof het niet beslissen op een voorwaardelijk verzoek tot overlegging van administratie. De Procureur-Generaal stelt dat het hof op dit verzoek had moeten beslissen, maar dat het niet beslissen onvoldoende belang tot vernietiging oplevert omdat de gevraagde stukken geen betekenis hadden voor het bewijs. Het vierde middel slaagt: de inzendtermijn voor cassatie is met bijna twee maanden overschreden, wat leidt tot vermindering van de straf.
De conclusie is vernietiging van het arrest voor zover het de strafmaat betreft, vermindering van de straf en verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: Veroordeling bevestigd, maar gevangenisstraf verminderd wegens overschrijding inzendtermijn.