ECLI:NL:HR:2025:98

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2025
Publicatiedatum
17 januari 2025
Zaaknummer
22/04595
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 sub a Wet OB 1968Tabel I bij Wet OB 1968Punt 14 Bijlage III BTW-richtlijn 2006Artikel VI Ministeriële regeling 8 november 2024
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt recht op verlaagd btw-tarief voor sportactiviteiten op strandpaviljoen

Belanghebbende, een B.V., voerde in cassatie beroep tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2013-2016 bevestigde. De Hoge Raad overwoog dat de door belanghebbende aangeboden diensten, waaronder beachvolleybal, beachvoetbal en handboogschieten met gebruik van instructie- en kleedruimten in een strandpaviljoen, uitsluitend verband houden met sportbeoefening.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en bevestigde het vonnis van de Rechtbank Noord-Holland dat deze diensten onder het verlaagde btw-tarief vallen volgens art. 9 lid 2 sub a Wet Pro OB 1968 en de bijbehorende tabel. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de cassatieprocedure een overschrijding van de redelijke termijn met maximaal zes maanden kende, waardoor belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 500 voor immateriële schade.

De Staat werd veroordeeld tot vergoeding van deze schade en tot betaling van het griffierecht en proceskosten van belanghebbende. Ook werd de Inspecteur veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 17 januari 2025.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de sportgerelateerde dienstverlening onder het verlaagde btw-tarief valt en kent een vergoeding toe voor termijnoverschrijding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/04595
Datum17 januari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 1 november 2022, nrs. 21/00235 tot en met 21 /00238 [1] , op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nrs. HAA 19/2407 tot en met HAA 19/2410) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over elk van de jaren 2013 tot en met 2016.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.F. Karamat-Ali, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
1.2
Belanghebbende heeft verzocht om de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade in het geval de procedure dusdanig lang duurt dat daarmee spanning en frustratie bij belanghebbende wordt verondersteld.

2.Beoordeling van de middelen

2.1
De middelen slagen in zoverre op de gronden die zijn vermeld in rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.4 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/04594, ECLI:NL:HR:2025:8.
2.2.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De middelen voor het overige behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
2.2.2
De stukken van het geding laten geen andere slotsom toe dan dat de door belanghebbende aangeboden dienstverlening, als geheel genomen, uitsluitend verband houdt met de beoefening van sport, waaronder het ontvangen van de nodige instructie in een accommodatie, begeleiding, en het gebruik van kleedruimten ter voorbereiding op het eigenlijke sporten. Deze dienstverlening valt daarom binnen de reikwijdte van post b.3 van de bij de Wet op de omzetbelasting 1968 behorende Tabel I. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

3.Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht om bij overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep, de Staat te veroordelen tot een vergoeding van immateriële schade.
3.2
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 7 december 2022. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.

4.Proceskosten

4.1
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding voor het Hof.
Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 22/04594 en 22/04595 zowel in de cassatieprocedure als in hoger beroep met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
4.2
Gelet op artikel VI van de Ministeriële regeling van 8 november 2024 [2] en de op die regeling gegeven toelichting moeten de hiervoor in 4.1 bedoelde vergoedingen worden berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 907. [3]

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van de aan de cassatieprocedure toerekenbare immateriële schade, vastgesteld op € 500,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 548,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 3.628, oftewel € 1.814, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op de helft van € 1.814, oftewel € 907, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- draagt de Inspecteur op aan het Hof het griffierecht te betalen voor de behandeling van het hoger beroep van € 541.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2025.

Voetnoten

2.Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 8 november 2024, nr. 5868220, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Stcrt. 2024, 38002.
3.Vgl. HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1657, rechtsoverweging 2.7.3.