Uitspraak
1.Geding in cassatie
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Hoge Raad
Belanghebbende, een vennootschap onder firma die surflessen aanbiedt inclusief het gebruik van een vrachtcontainer als kleed- en douchegelegenheid, voerde bezwaar tegen de opgelegde omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2014. Het Gerechtshof Amsterdam had de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland vernietigd, maar de Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en bevestigt het oordeel van de rechtbank dat de dienstverlening onder het verlaagde btw-tarief valt.
De Hoge Raad overweegt dat de dienstverlening als geheel uitsluitend verband houdt met sportbeoefening, waaronder instructie, begeleiding en het gebruik van kleedruimten, en daarmee binnen de reikwijdte van het verlaagde tarief valt zoals opgenomen in de Wet OB 1968 en de BTW-richtlijn.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat de cassatieprocedure een overschrijding van de redelijke termijn met niet meer dan zes maanden kent, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €500. Verder worden proceskosten en griffierechten toegewezen aan belanghebbende en de Staat respectievelijk de Inspecteur.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat surflessen met kleedaccommodatie onder het verlaagde btw-tarief vallen en kent een immateriële schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding.