ECLI:NL:HR:2026:101
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid beroep in cassatie wegens niet-betaling griffierecht
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan over het beroep in cassatie van [A] tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 maart 2025. Het beroep in cassatie was ingesteld tegen nummer 23/697. De Hoge Raad heeft allereerst de ontvankelijkheid van het beroep beoordeeld. De griffier van de Hoge Raad heeft [A] op 14 augustus 2025 per aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor de betaling daarvan. Deze brief is afgeleverd op het geregistreerde adres van [A], maar het griffierecht is niet voldaan. Op 18 september 2025 heeft de griffier [A] opnieuw de gelegenheid gegeven om te verklaren waarom het griffierecht niet is betaald, maar van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Hierdoor heeft de Hoge Raad op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om een veroordeling in de proceskosten uit te spreken. Het arrest is openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.