ECLI:NL:HR:2026:102
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid van het beroep in cassatie wegens niet-betaling griffierecht
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 23 januari 2026 uitspraak gedaan over het beroep in cassatie van [A] tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 maart 2025. Het beroep in cassatie was ingesteld tegen de nummers 23/695 en 23/696. De Hoge Raad heeft beoordeeld of het beroep ontvankelijk was, waarbij de griffier van de Hoge Raad [A] op 14 augustus 2025 had gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een termijn van vier weken had gesteld voor de betaling daarvan. Deze brief is afgeleverd op het geregistreerde adres van [A], maar het griffierecht is niet voldaan.
Op 18 november 2025 heeft de griffier [A] opnieuw in de gelegenheid gesteld om te verklaren waarom het griffierecht niet was betaald, maar van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Gezien deze omstandigheden heeft de Hoge Raad op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad heeft geen aanleiding gezien om een veroordeling in de proceskosten uit te spreken.
De uitspraak benadrukt het belang van het tijdig voldoen aan griffierechten in het cassatieproces en de gevolgen van het niet voldoen aan deze verplichting.