ECLI:NL:HR:2026:102
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht
In deze zaak heeft [A] beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 4 maart 2025. De griffier van de Hoge Raad heeft [A] bij aangetekende brief op 14 augustus 2025 gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze brief is afgeleverd op het geregistreerde adres van [A]. Ondanks deze aanmaning is het griffierecht niet voldaan.
Vervolgens heeft de griffier op 18 november 2025 opnieuw een aangetekende brief gestuurd waarin [A] werd uitgenodigd om een verklaring te geven voor het niet betalen van het griffierecht. Ook deze brief is afgeleverd, maar er is geen reactie ontvangen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) leidt het niet voldoen van het griffierecht tot niet-ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.
De Hoge Raad heeft daarom het beroep in cassatie van [A] niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen veroordeling in de proceskosten uitgesproken. Het arrest is op 23 januari 2026 in het openbaar gewezen door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.