Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:1023

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
24/03355
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake verhuurderheffing

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag inzake een door haar op aangifte voldaan bedrag aan verhuurderheffing. Na behandeling van het cassatieberoep heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de ingebrachte klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De procedure kende een conclusie van repliek van belanghebbende en een verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.

Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen van de lagere rechterlijke instanties en betekent dat het door belanghebbende betaalde bedrag aan verhuurderheffing niet wordt teruggevorderd. De Hoge Raad beperkt zich tot een summiere beoordeling en laat de eerdere rechtspraak in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak over de verhuurderheffing blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03355
Datum26 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 juli 2024, nr. BK-23/183, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/4184) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan verhuurderheffing.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door G.J.W. de Ruiter, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.