ECLI:NL:HR:2026:1033
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over ontvangst van processtukken bij elektronisch procederen en proceskostenvergoeding in WOZ-zaak
Belanghebbende stelde digitaal hoger beroep in tegen een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat belanghebbende de gronden niet binnen de gestelde termijn had ingediend. Belanghebbende maakte hiertegen verzet, dat door het hof ongegrond werd verklaard met de overweging dat het notificatiebericht digitaal was ontvangen en ingezien.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte aannam dat het bericht conform artikel 8:36c Awb was ontvangen, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. Hierdoor kan het bestreden arrest niet in stand blijven en wordt de zaak verwezen voor nadere beoordeling. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van de cassatieprocedure.
Verder stelt de Hoge Raad dat vanwege de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm en de timing van het cassatieberoep nader feitenonderzoek nodig is om te bepalen of sprake is van een bijzonder geval voor proceskostenvergoeding. Belanghebbende krijgt gelegenheid nadere gegevens te verstrekken, waarna het college kan reageren. De Hoge Raad houdt verdere beslissing aan totdat deze procedure is afgerond.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling; het college wordt veroordeeld in de proceskosten van de cassatie.