ECLI:NL:HR:2026:1033

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
24/03956
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36c AwbArt. 8:54 AwbWet waardering onroerende zakenWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over ontvangst van processtukken bij elektronisch procederen en proceskostenvergoeding in WOZ-zaak

Belanghebbende stelde digitaal hoger beroep in tegen een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Het hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat belanghebbende de gronden niet binnen de gestelde termijn had ingediend. Belanghebbende maakte hiertegen verzet, dat door het hof ongegrond werd verklaard met de overweging dat het notificatiebericht digitaal was ontvangen en ingezien.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof ten onrechte aannam dat het bericht conform artikel 8:36c Awb was ontvangen, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. Hierdoor kan het bestreden arrest niet in stand blijven en wordt de zaak verwezen voor nadere beoordeling. Tevens wordt het college veroordeeld in de proceskosten van de cassatieprocedure.

Verder stelt de Hoge Raad dat vanwege de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm en de timing van het cassatieberoep nader feitenonderzoek nodig is om te bepalen of sprake is van een bijzonder geval voor proceskostenvergoeding. Belanghebbende krijgt gelegenheid nadere gegevens te verstrekken, waarna het college kan reageren. De Hoge Raad houdt verdere beslissing aan totdat deze procedure is afgerond.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling; het college wordt veroordeeld in de proceskosten van de cassatie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/03956
Datum26 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE KRIMPEN AAN DEN IJSSEL
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 september 2024, nr. BK-23/1173, op het verzet van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerechtshof van 13 juni 2024. De uitspraak van het Hof op het verzet is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Bij brief van 1 december 2023 heeft belanghebbende op digitale wijze hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam. Die uitspraak betreft een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Bij bericht van 6 december 2023, geplaatst in het webportaal Mijn Rechtspraak, heeft de griffier van het Hof belanghebbende meegedeeld dat belanghebbende heeft verzuimd de gronden van het hoger beroep te vermelden. De griffier heeft belanghebbende de gelegenheid gegeven dit verzuim uiterlijk op 3 januari 2024 te herstellen.
2.2
Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn geen gebruik gemaakt van de gelegenheid de gronden van het hoger beroep in te dienen. Met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro heeft het Hof het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende verzet gedaan. Het Hof heeft het verzet ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende digitaal hoger beroep heeft ingesteld via Mijn Rechtspraak, dat hij vanaf 1 december 2023 toegang had tot dit systeem, dat tot dit systeem het digitale dossier van belanghebbende behoorde dat vanaf 1 december 2023 is opgebouwd, en dat belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 6 december 2023 om 9.22 uur heeft ontvangen en vanaf dat moment ook heeft kunnen inzien.

3.Beoordeling van de klachten

3.1
De klachten van belanghebbende zijn gericht tegen de hiervoor in 2.3 weergegeven oordelen van het Hof. De klachten voeren onder meer aan dat belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 6 december 2023 niet heeft ontvangen en evenmin een kennisgeving als bedoeld in artikel 8:36c Awb.
3.2
Deze klachten slagen op de gronden die zijn vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:160, rechtsoverwegingen 3.2 en 3.3.
3.3
De bestreden uitspraak kan niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.

4.Proceskosten

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

5.Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad

5.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm [1] , gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in het arrest van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1175.
5.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken.
5.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op hem rustende bewijslast. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpen aan den IJssel zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.

6.Beslissing

De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.

Voetnoten

1.Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.