ECLI:NL:HR:2025:160
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over ontvangsttijdstip van elektronische processtukken bij hoger beroep WOZ
Belanghebbende stelde digitaal hoger beroep in tegen een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ). Het Hof verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat belanghebbende de gronden van het hoger beroep niet binnen de gestelde termijn had ingediend. Belanghebbende stelde verzet in tegen deze beslissing, maar het Hof verklaarde dit ongegrond, stellende dat belanghebbende het bericht over het verzuim had ontvangen via het digitale systeem.
De Hoge Raad overwoog dat volgens artikel 8:36c Awb het tijdstip van ontvangst van een bericht bij elektronisch procederen het moment is waarop een notificatiebericht wordt verzonden dat het bericht toegankelijk is, tenzij de betrokkene afziet van ontvangst van notificaties. Het Hof had onvoldoende gemotiveerd dat belanghebbende zo’n notificatiebericht had ontvangen of had afgezien van ontvangst.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak voor nader feitenonderzoek. Tevens oordeelde de Hoge Raad dat de proceskostenvergoeding in deze cassatieprocedure nader moet worden onderzocht, mede in het licht van een recent arrest over de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm.
De Hoge Raad hield verdere beslissing aan totdat belanghebbende nadere gegevens heeft verstrekt en het College daarop heeft kunnen reageren.
Uitkomst: Het arrest van het Hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nader feitenonderzoek over de ontvangst van het notificatiebericht.