Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2026:1037

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
24/02700
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake verhuurderheffing

Belanghebbende, een besloten vennootschap, had beroep ingesteld tegen uitspraken van de Rechtbank Gelderland en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake door haar op aangifte betaalde bedragen aan verhuurderheffing. Na behandeling van het cassatieberoep heeft de Hoge Raad de klachten van belanghebbende beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest.

De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven voor dit oordeel, omdat de klachten niet relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens is geen veroordeling in proceskosten opgelegd.

Het arrest is gewezen door de vice-president en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026. Hiermee is het beroep in cassatie ongegrond verklaard en blijft de uitspraak van het hof in stand.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer24/02700
Datum26 juni 2026
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 mei 2024, nrs. BK-ARN 22/2130 t/m 22/2132, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 21/1087, 21/1088 en 22/643) betreffende door belanghebbende op aangifte voldane bedragen aan verhuurderheffing.

1.Geding in cassatie

1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door Z.H. van Dorth tot Medler, advocaat te Rotterdam, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
Namens partijen is deze zaak, tezamen met 55 andere, samenhangende zaken, mondeling toegelicht, voor belanghebbende door Z.H. van Dorth tot Medler, voor de Staatssecretaris door M.E.A. Möhring, advocaat te Den Haag.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2026.